Deprecated: mysql_connect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /home/blokjeom/domains/2dive.nl/public_html/mphp/Database.php on line 94

Strict Standards: Only variables should be passed by reference in /home/blokjeom/domains/2dive.nl/public_html/index.php on line 16
2Dive helpt je met het leren van je duiktheorie!

Duikfysica

Binnen het onderdeel duikfysica op 2Dive.nl kom je van alles te weten over wat er op natuurkundig gebied met duiken te maken heeft. Dit onderdeel is opgedeeld in een aantal onderwerpen die qua kennis op elkaar aansluiten. Is deze theorie nieuw voor je dan raden we je aan om van boven naar beneden alle onderwerpen door te nemen. Indien je al kennis hebt van duikfysica kan je dit deel gebruiken als naslagwerk. Dit onderdeel is opgebouwd uit de volgende hoofdstukken:

- Inleiding druk
- Atmosferische druk
- Druk in vloeistoffen
- Het effect van druk op gassen
- Absorptie van gas in vloeistoffen
- Drijfvermogen
- Geluid onderwater
- Licht onderater

Inleiding druk

Als je ooit wel eens in een zwembad naar de bodem gedoken hebt dan heb je vast wel gemerkt dat je dit goed voelt in je oren. Dit gevoel wordt veroorzaakt door druk, druk die onderwater vele malen sneller verandert dan aan de oppervlakte. Voor een duiker is het belangrijk om te weten wat druk is en welke invloed druk uitoefent op ons lichaam en apparatuur. In dit hoofdstuk geven we een inleiding over druk. We proberen de volgende vragen voor je te beantwoorden:
- Wat is druk?
- Waar komt druk vandaan?
- Hoe benoemen we druk?

Druk en kracht
Druk is een kracht die uitgeoefend wordt op een oppervlakte. In het dagelijks leven hebben we altijd te maken met druk. Tijdens het lopen beoefenen we met het gewicht van ons lichaam een kracht uit op onze voeten. Als we op een vlakke ondergrond lopen dan vangen onze voeten deze kracht op met een groot deel van de voetzool. De kracht wordt dan verdeelt over een groot oppervlakte en de druk is draagbaar. Lopen we echter op een grindpad dan wordt de kracht verdeeld over veel kleinere oppervlaktes, op sommige plaatsen wordt de druk dan zo hoog dat dit zelfs pijn kan doen aan de voeten. Andersom als wij op platte zolen lopen laten we weinig sporen na in het zand (lage druk op het zand), lopen we echter op hoge hakken dan druk je diepe putten in het zand (hoge druk op het zand onder de hak). De definitie van druk wordt als volgt weergegeven:

image
In deze formule staat p voor pressure oftewel druk, F voor force of kracht en A voor area of oppervlakte. De druk is dus de kracht geteeld door het oppervlakte waar de kracht op uitgeoefend wordt.


Eenheden
Druk wordt aangeduid in verschillende eenheden, bij duiken gebruiken we in Nederland de eenheid bar, in andere delen wan de wereld wordt ook wel de eenheid psi gebruikt. 1 bar staat gelijk aan een druk van 1.02 kilo per CM2, psi is een afkorting van pond per INCH2 (pound per square inch). In de rekenvoorbeelden zullen we alleen gebruik maken van de eenheid bar, echter kan het voorkomen dat je in het buitenland een keer om zult moeten rekenen van psi naar bar of andersom. Dit kan door het toepassen van het volgende rekensommetje bar = psi / 14,5.

Atmosferische druk

imageIn dit hoofdstuk beantwoorden we de volgende vragen:
- Wat is atmosferische druk?
- Waar komt atmosferische druk vandaan?
- Hoe verhoud atmosferische druk zich met hoogte?
- Waaruit bestaat lucht op zeeniveau?

Rond de aarde hangt een laag gassen die we ook wel de atmosfeer noemen, ook deze gassen (de lucht) oefent een bepaalde druk uit op alles zich op aarde bevindt. Lucht heeft namelijk ook gewicht, op zeeniveau weegt één liter lucht ongeveer 1,3 gram. Echter bevinden zich in de atmosfeer liters opeengestapelde lucht die samen toch met een flink gewicht op de aarde drukken. Op zeeniveau heerst er een druk van ongeveer 1 bar oftewel 1,02 kilo per CM2, op een m2 drukt dus een gewicht van ongeveer 10.200 kilo lucht.
Hoe hoger je komt hoe minder opeengestapelde lucht er zich boven je bevindt, en hoe lager de druk. Als vuistregel stellen we dat de luchtdruk ongeveer 0,1 bar per 1000m afneemt. Op 5000m hoogte is de luchtdruk op aarde dus nog maar 0,5 bar.

Op zeeniveau bestaat de atmosfeer uit de volgende gassen:
Stikstof (78,09%)
Zuurstof (20,94%)
Argon (0,93%)
Koolstofdioxide (0,03%)
Overig (0,01%)


Tijdens rekenvoorbeelden rekenen we in het geval van lucht voor het gemak vaak met 21% zuurstof en 79% stikstof als samenstelling. Voor berekeningen bij het duiken met perslucht is deze vereenvoudigde samenstelling nauwkeurig genoeg.

Druk in vloeistoffen

Tot nu toe hebben we gezien hoe druk zich opbouwt in de atmosfeer, door de enorm hoge luchtkolom en de vele liters van 1,03g wordt toch een behoorlijke druk opgebouwd. Water heeft echter een compleet ander soortelijk gewicht dan lucht namelijk 1kg per liter bijna 1000 keer zo zwaar. Onderwater drukken er al snel vele kilo's water op alles wat zich daar bevindt. Hoe dieper we onderwater komen hoe meer kilo's water er zich boven ons bevinden en hoe hoger de druk. De wet van Pascal schrijft voor:

Een druk die wordt uitgeoefend op een vloeistof die zich in een geheel gevuld en gesloten vat bevindt, zal zich onverminderd in alle richtingen voortplanten.


Uit deze wet kunnen we concluderen dat de druk onderwater alleen afhankelijk is van de diepte waarop we meten. Het maakt dus niet uit of we in een put, grot of de open zee duiken, in alle gevallen zal de waterdruk alleen afhangen van de diepte waarop we duiken. Druk die wordt veroorzaakt door een waterkolom wordt hydrostatische druk genoemd. Bij hydrostatische druk rekenen we de atmosferische druk dus niet mee. Als we de atmosferische druk en de hydrostatische druk bij elkaar optellen spreken we van absolute druk.

De hydrostatische druk kunnen we berekenen door het totale gewicht van de waterkolom te berekenen die op een bepaald oppervlakte drukt. Op een diepte van 10 meter staat er op een oppervlakte van 1m2 een waterkolom van 1m2 * 10m = 10m3. 1m3 zeewater weegt 1080kg, 10m3 zeewater weegt dus 10800kg. Het totale gewicht van de waterkolom op de gekozen m2 is dus gelijk aan 10800kg. De druk in dit voorbeeld is gelijk aan 10800kg/m2. Om van m2 naar cm2 om te rekenen kunnen we delen door 10000. hieruit volgt 10800kg/m2 = 1,08kg/cm2. We weten dat 1 bar gelijk is aan 1,02kg/cm2. de druk op een diepte van 10m in zout water is dus gelijk aan (1,08kg/cm2) / (1,02kg/cm2) = 1,06bar. Ongeveer kunnen we stellen dat per 10m diepte de druk met 1bar wordt verhoogd. Met deze vuistregel kunnen we snel berekenen dat op 20m de hydrostatische druk 2bar bedraagt en op 30m 3bar.

Om voor een bepaalde diepte de absolute druk te berekenen moeten we bij de hydrostatische druk de atmosferische druk optellen. Op zeeniveau bedraagt de atmosferische druk ongeveer 1bar. Hieruit volgt dat de absolute druk op een diepte van 20m (2bar hydrostatisch en 1bar atmosferische druk) 3bar is. Op 20m is de druk die op ons lichaam wordt uitgeoefend dus 3x zo hoog als normaal aan de oppervlakte.
Als we echter in een bergmeer zouden duiken dat zich op (hypothetisch) 5000m bevindt dan is de atmosferische druk slechts 0,5bar en is de absolute druk op 20m diepte 2,5bar. Dit is dus 5x zo hoog als aan de oppervlakte. Duiken in bergmeren vereist daarom ook speciale berekeningen en apparatuur.

Het effect van druk op gassen

Voor duikers is het van groot belang om te weten wat druk is en wat de invloed van druk is op gassen. Onderwater ademen we namelijk gassen in onder veel hogere druk dan dat we dat normaal gewend zijn. Dit heeft zeer veel invloed op een duiker en kan als er niet goed mee omgegaan wordt leiden tot onveilige situaties met verlammingen of zelfs de dood tot gevolg. Dit benadrukt nogmaals het belang van duiktheorie voor mensen die graag veilig willen duiken. In dit hoofdstuk staan we stil bij de volgende vragen:
- Welke invloed heeft druk op gas?
- Hoe verhouden gassen zich onder druk ten opzichte van elkaar?
- Wat is partiële druk?

Een eigenschap van een gas is dat het een zeer lage dichtheid heeft. Atomen in een gas bevinden zich dus op relatief grote afstand van elkaar. Door deze eigenschap is gas vrij gemakkelijk samen te persen. Als we voor duiktheorie over gassen en druk praten zijn er 2 wetten van groot belang, de wet van Dalton en de wet van Boyle.


De wet van Boyle schrijft voor:

image
Bij een constante temperatuur is het volume van een hoeveelheid gas omgekeerd evenredig met de druk.


De wet van Dalton schrijft voor:

image Als in een afgesloten ruimte, twee of meer gassen voorkomen die samen geen scheikundige reactie aangaan, dan is bij een constante temperatuur de druk gelijk aan de som van de druk die elk gas zou hebben als het zich alleen in dezelfde ruimte zou bevinden.


In de formule bij de wet van Boyle staat p voor Pressure (druk), V voor Volume, en de Constant is een vast getal. Uit deze vergelijking volgt dat wanneer we de druk op een hoeveelheid gas verdubbelen, het volume halveert. Deze constante zullen we op 2Dive ook wel eens aanduiden met de eenheid barl of wel (bar * liter).
De wet van Dalton toont het som teken, deze formule betekend niets anders dan: De druk van alle delen gas bij elkaar opgeteld is de totale druk in het gasmengsel.

Allereerst kunnen we door deze wetten stellen dat we als we de druk hoog genoeg kunnen opvoeren zeer veel lucht (ademgas) in een perslucht cilinder kunnen persen. Immers verkleint volgens de wet van Boyle het volume van gas bij het verhogen van de druk. Met behulp van de wet van Boyle kunnen we berekenen hoeveel druk we nodig hebben om een hoeveelheid gas in een vastgesteld volume te persen.

Voorbeeld:
Als we een hoeveelheid lucht bekijken van 2000l (V) oftewel 2m3 bij een druk van 1 bar (p), dan kunnen we de vergelijking van Boyle invullen. Hieruit volgt:
image
Als we dezelfde hoeveelheid lucht in een duikcilinder willen opslaan met een volume van 10l (V), moeten we de druk zo hoog opvoeren dat uit het vergelijk bij een V van 10l het resultaat 2000barl volgt:
image
We hebben dus een druk nodig van 200bar nodig om 2m3 lucht (bij een druk van 1bar) in een duikcilinder van 10l te persen. Hoe lang je hierop kan duiken verschilt per duiker en diepte, hierover leer je meer in het deel Duikplanning & loggen.

Partiële druk
Als we de wet van Dalton nogmaals bekijken dan kunnen we concluderen dat elk gas in een mengsel zijn eigen bijdrage levert aan de totale druk in het gasmengsel. Deze bijdrage van een afzonderlijk gas in een mengsel noemen we partiële druk. De partiële druk van een afzonderlijk gas is te berekenen als we de verhouding weten waarin het gas zich in een mengsel bevindt. Nemen we lucht als voorbeeld dan stellen we dat er zuurstof en stikstof in voorkomen als meest significante gassen. De verhouding tussen zuurstof en stikstof in lucht stellen we voor het gemak gelijk aan 21% om 79%. Bij een druk van 1bar kunnen we berekenen dat de partiële druk van zuurstof in het mengsel gelijk is aan (21% van 1bar) 0,21bar. De partiële druk van de stikstof in het mengsel is (79% van 1bar) 0,79bar. als we de totale druk van het ademgas lucht verhogen tot 2bar (hetgeen de situatie is op 10m diepte) dan zal gelijk aan de toename van het totaal ook de partiële druk toenemen met een factor 2. Bij 2bar is de partiële druk van zuurstof in lucht dus 0,42bar en van stikstof 1,58bar. Als we de partiële drukken bij elkaar optellen is dit altijd weer gelijk aan de totale druk in het gasmengsel.

Absorptie van gas in vloeistoffen

Iedereen kent koolzuurhoudende dranken, als je de fles opendraait dan komt het gas (CO2) rijkelijk uit de vloeistof omhoog. Zelfs al doe je de fles na opening weer dicht en na een uurtje weer open, dan kan je hetzelfde effect nog een keer bewonderen. Kennelijk komt er dus ergens gas vandaan, en zelfs zoveel dat het een bepaalde druk kan creëren. Het verschijnsel heeft alles te maken met het oplossen van gas in vloeistoffen, dit effect is zelfs één van de grootste vijanden van een duiker. In dit hoofdstuk kan je lezen waar het effect door ontstaat, in het hoofdstuk decompressieziekte, gaan we verder in op de gevolgen die dit effect heeft voor een duiker.

Om dit fenomeen beter te begrijpen maken we gebruik van de wet van Henry:

Bij constante temperatuur zal een vloeistof net zoveel gas opnemen totdat de gasdruk van het gas in de vloeistof gelijk is aan de druk waarop het gas de vloeistof raakt.

Een vloeistof kan dus gas opnemen, de hoeveelheid gas die een vloeistof kan opnemen is evenredig met de druk waarop het gas in contact is met de vloeistof. Het oplossen van een gas in een vloeistof is een proces dat wordt beïnvloed door een aantal factoren waaronder tijd, druk en temperatuur. Zoals je kan zien bij een koolzuurhoudende drank is het een proces wat een behoorlijke tijd in beslag neemt. De koolzuurhoudende drank blijft een geruime tijd bellen produceren (er ontsnapt langzaam gas uit de oplossing).

Voor een oplossing van een gas in een vloeistof zijn er 3 toestanden te omschrijven:

Verzadigd
De gasdruk in de vloeistof is gelijk aan de gasdruk in de omgeving van de vloeistof. De vloeistof neemt in deze toestand geen extra gas op en geeft geen gas af aan de omgeving.

Onverzadigd
De gasdruk in de vloeistof is lager dan de gasdruk in de omgeving van de vloeistof. In deze toestand neemt de vloeistof gas op totdat er een verzadigde toestand ontstaat.

Oververzadigd
De gasdruk in de vloeistof is hoger dan de gasdruk in de omgeving van de vloeistof. In deze toestand geeft de vloeistof gas af aan de omgeving totdat er een verzadigde toestand ontstaat.

We zien dat de toestand van de gas oplossing altijd richting verzadigd loopt. de toestanden on- en oververzadigd noemen we ook wel 'instabiel' (deze toestand is tijdelijk). Indien er een grote overdruk ontstaat in een vloeistof dan geeft de vloeistof zo snel gas af aan de omgeving dat er belletjes/bellen in de vloeistof ontstaan, zoals bij de koolzuurhoudende dranken.
Doordat de snelheid van opname en afgifte van gas in de vloeistof afhankelijk is van het verschil tussen de gasdruk in de vloeistof en de gasdruk in de omgeving, vertraagt de opname en afgifte richting de stabiele situatie. Bij het opendraaien van de fles met koolzuurhoudende drank trekt de ontstane instabiele situatie steeds langzamer richting de stabiele situatie.

Invloeden op opname van gas door vloeistoffen:

Druk
Hoe groter het verschil tussen de gasdruk in de vloeistof en de gasdruk in de omgeving van de vloeistof hoe sneller en meer gas er in de vloeistof zal oplossen.

Tijd
Hoe langer de onverzadigde situatie aanhoud hoe meer gas er wordt opgenomen in de vloeistof. Net zolang totdat de volledig verzadigde situatie optreed.

Oppervlakte
Het raakoppervlak tussen het gas en de vloeistof is recht evenredig met de snelheid van opname. Hoe groter het oppervlakte tussen het gas en de vloeistof hoe sneller de vloeistof verzadigd.

Temperatuur
De temperatuur heeft wel de meest opmerkelijke invloed op de opname van gas in een vloeistof. Hoe lager de temperatuur, hoe sneller en hoe meer gas in de vloeistof kan oplossen. De temperatuur veranderd dus ook de totale hoeveelheid gas die in de vloeistof kan oplossen!

Soort gas
Elk gas heeft zijn eigen oplosbaarheidscoëfficiënt, dit houd in dat het ene gas beter op te lossen is in een vloeistof dan het andere. Het ene gas zal dus sneller en meer oplossen in een vloeistof dan het andere.

Soort vloeistof
In de ene vloeistof lost gas beter op dan in de andere vloeistof. Zo zal stikstof bijvoorbeeld sneller en meer oplossen in een vettige vloeistof dan in een waterige vloeistof.

In dit hoofdstuk heb je kunnen lezen dat gas in vloeistoffen kan worden opgenomen, en dat een vloeistof dit gas ook weer kan afgeven als de omgevingsdruk verlaagd. Binnen het thema duikfysiologie zullen we nog vaak op dit gegeven terugkomen. Dit verschijnsel is het meest belemmerende effect voor een duiker!

Drijfvermogen

Dat sommige objecten op water blijven drijven en dat sommige mensen dit ook kunnen, dat is voor iedereen wel bekend. Wat echter belangrijk is om bij het duiken te weten is waar drijfvermogen vandaan komt en wat het is. In het volgende hoofdstuk gaan we in op drijfvermogen en de factoren die drijfvermogen beïnvloeden.

Om het drijfvermogen beter te begrijpen zullen we je voorstellen aan de wet van Archimedes:

De opwaartse kracht die een lichaam in een vloeistof of gas ondervindt is even groot als het gewicht van de/het verplaatste vloeistof/gas.

Als we dus een object met een volume van 1l onderwater trekken dan zal er een opwaartse kracht ontstaan van /- 9,8N. Als het gewicht van het object kleiner is dan het gewicht van het verplaatste water dan zal het object drijven, als het gewicht groter is dan het gewicht van het verplaatste water dan zal het object zinken.

Tijdens het duiken wordt een deel van ons drijfvermogen bepaald door lucht. Lucht dat zich in kleine belletjes in het neopreen van het duikpak bevind, lucht in de blaas van de BCD en de lucht in de duikcilinder. Het drijfvermogen wat door de lucht wordt veroorzaakt is in een aantal gevallen nogal variabel, waardoor je als duiker steeds je drijfvermogen moet compenseren.

Veranderingen in drijfvermogen bij het duiken
Als we allereerst kijken naar de kleine belletjes lucht in een neopreen wetsuit. Onder normale omstandigheden zal een wetsuit een behoorlijke hoeveelheid drijfvermogen geven. De luchtbelletjes in het neopreen zijn echter door druk samenpersbaar. Hoe dieper we tijdens het duiken komen hoe kleiner het volume van de luchtbelletjes in het wetsuit, en als gevolg daarvan hoe kleiner het drijfvermogen van het wetsuit. Als je hiervoor dus geen compensatie hebt zal je naarmate je dieper komt steeds sneller gaan zinken.
Gelukkig hebben we als duiker tegenwoordig een BCD, een BCD is een stuk duikuitrusting dat je vaak als een soort van rugzak draagt. De BCD bevat een blaas waar lucht ingeblazen kan worden. Hoe meer lucht je in de BCD blaast hoe groter het volume en hoe groter het drijfvermogen. Ook de lucht in de BCD is samenpersbaar, onder invloed van verandering van druk zal het volume van de lucht in de BCD ook veranderen.
Als derde beïnvloed ook de lucht in de persluchtfles het drijfvermogen, allereerst door het inademen van deze lucht vergroten we het volume van onze longen (en daarmee van ons zelf) en verhogen we het drijfvermogen. Als we uitademen verkleint het volume van de longen weer waardoor het drijfvermogen weer afneemt. Daarnaast zal door het gebruik van lucht uit de persluchtfles het totale gewicht van de persluchtfles naarmate de duik vordert langzaam afnemen.

Tijdens het duiken hebben we dus constant te maken met veranderingen in het drijfvermogen, toch moet een duiker er steeds voor zorgen dat hij/zij een neutraal drijfvermogen heeft zodat je op een bepaalde diepte kan blijven. Met de BCD kunnen we drijfvermogen compenseren door lucht in of uit de blaas te laten, om zo een neutraal drijfvermogen te creëren. Dit noemen we trimmen, hierover kan je meer lezen in het hoofdstuk duikvaardigheden.

Geluid onderwater

Wie denkt dat er onderwater geen geluid is zit ernaast. Onder water hoor je van alles, luchtbelletjes die opstijgen, een papegaaivis die aan koraal knabbelt, communicatie van walvissen of dolfijnen, de golfslag die schelpen of dood koraal in beweging brengt en nog veel meer. Echter merken we onderwater wel dat wij als mensen niet kunnen bepalen waar het geluid vandaan komt en hoe ver het geluid van ons vandaan verwijderd is. Dit heeft alles te maken met de snelheid waarin het geluid zich door het water verplaatst.

Snelheid van geluid in water
Geluid verplaatst zich onderwater met een snelheid van 1.435 m/sec, tegenover een snelheid van 330 m/sec op het land. Geluid gaat onderwater dus 4x sneller dan door de lucht.

Geluid verplaatst zich onderwater 4x zo snel als door de lucht.

Doordat onze hersenen de richting van het geluid bepalen door de vertraging te meten tussen het linker en het rechter oor, werkt de richtingsbepaling niet meer wanneer er grote afwijkingen ten opzichte van de snelheid van geluid door lucht optreden. Doordat het geluid zich veel sneller en met minder verlies verplaatst in het water klinken de geluiden ook dichterbij dan dat ze daadwerkelijk zijn.

Geluid maken onderwater
Als je wel eens geprobeerd hebt om onderwater te praten zul je gemerkt hebben dat dat niet meevalt. De geluidsgolven die door onze stembanden gevormd worden botsen namelijk tegen het water. Hierdoor wordt slechts een zeer klein gedeelte van het geproduceerde geluid aan het water overgedragen. Als we de aandacht van de buddy willen trekken wanneer de afstand te groot is om elkaar even aan te tikken, zullen we direct in het water geluidsgolven moeten produceren. Bijvoorbeeld met behulp van een shaker of door met je duikmes tegen je duikcilinder aan te tikken. Sta er niet raar van te kijken als je buddy eerst alle kanten opkijkt voordat hij jou richting vindt. Hij kan immers ook niet horen waar het geluid vandaan komt.

Licht onderwater

Onderwater zien wij dingen anders dan bovenwater, zonder duikbril is het zelfs onmogelijk om scherp te zien. Bovenwater zorgen onze ogen het beeld wat onze ogen rechtlijnig bereikt via de lens in ons oog scherp geprojecteerd wordt op ons netvlies. Onderwater vormt het water wat in contact komt met onze oogbol een soort van lens. Het licht wordt hierdoor anders afgebogen waardoor wij het beeld niet scherp kunnen stellen. Om dit op te lossen gebruiken we een duikbril om onderwater scherp te kunnen zien. Echter zorgt de overgang tussen het water via het geharde glas in de duikbril ook voor een bepaalde breking van licht, waardoor het beeld wat ons netvlies bereikt weliswaar scherp is maar niet natuurgetrouw.

Groter en dichterbij
Alles wat we zien onderwater lijkt groter en dichterbij dan dat het in werkelijkheid is. Dit is het gevolg van de breking van licht in de overgang van het water naar de lucht in onze bril. Lichtstralen worden hierdoor convergent gebroken, met andere woorden de lichtstralen worden naar elkaar toe gebogen. Dit geeft hetzelfde effect als een vergrootglas, waardoor alles onderwater uitvergroot wordt. Ook onze hersenen interpreteren deze licht geconvergeerde lichtstralen verkeerd waardoor ze ons doen geloven dat het object dat we bekijken zich dichterbij bevind. Als we een rekensommetje loslaten op de breking die optreed in de overgang van water en lucht kunnen we berekenen dat we alles onderwater één 3de groter lijkt en één 4de dichterbij.

imageAbsorptie van licht onderwater
Onderwater zien we niet alleen objecten groter en dichterbij, ook zien we kleuren anders dan bovenwater. Water heeft namelijk de eigenschap dat het kleuren filtert. De ene kleur sneller dan de andere waardoor er hoe dieper je komt steeds minder kleuren overblijven. De afbeelding hiernaast toont de opname van kleuren in water. Je kan zien dat al snel de kleur rood volledig verdwijnt. In praktijk zal je merken dat op 10 meter diepte de kleur rood al vrijwel volledig verdwenen is. Dit heeft als gevolg dat we kleuren onderwater anders zien. Zo wordt rood naarmate we dieper gaan eerst diep donker paars en vervolgens zwart. Op veel onderwaterfoto's zie je dat de meest overheersende kleuren groen en blauw zijn. Zoals je op de afbeelding hiernaast kan zien verdwijnt eerst rood, daarna geel, later pas groen. Blauw blijft het langst zichtbaar onderwater. Een handig weetje voor een duiker is dat bloed er al snel zwart uitziet onderwater. Schrik dus niet als er een zwart wolkje uit een wondje komt!
Naast het water wat zelf licht filtert, kan er ook nog sediment in het water zitten. Deze kleine stofdeeltjes nemen ook licht op en zorgen ervoor dat de lichtintensiteit onderwater afneemt. Hoe helderder het water hoe dieper lichtdeeltjes kunnen doordringen, echter is het omgekeerde ook waar. Op sommige duikstekken waar het zich slechts enkele meters bedraagt kan het op 15 meter al goed donker zijn. Soms liggen heldere lagen en lagen troebel water op elkaar, door een effect wat we thermocline noemen. Dit effect zorgt er soms voor dat een duiklocatie op 15 meter donker is, maar glas helder onder de 15 meter. Dit kan de ervaring van een nachtduik geven.

Op een diepte van 10 meter en meer, ziet bloed er zwart uit omdat al het rode licht dan al is gefilterd!


Diffusie van licht in water
Naast het veranderend beeld en de veranderende kleur onderwater, is er ook nog een effect dat we diffusie of ook wel verstrooiing noemen. Dit effect zorgt ervoor dat het licht dat in het water valt wordt weerkaatst in allerlei willekeurige richtingen. Omdat licht met een kleine golflengte zich makkelijker laat verstrooien dan licht met een langere golflengte, worden kleuren als blauw en violet beter verstrooid dan de kleuren rood en groen. Door dit verschijnsel ziet helder water er altijd zo blauw uit, het blauwe licht wordt door het water diffuus in alle richtingen verspreid en voor onze ogen neemt het water dan een blauwe kleur aan.

Duiken met kunstmatig licht
Als je 's nachts een duik wilt maken in het donker, zul je een lamp mee moeten nemen onderwater. Het voordeel van duiken met een lamp is dat het licht dat we zien slechts een kleine afstand onderwater hoeft af te leggen. Hierdoor zien we tijdens een nachtduik de meest reële kleuren onder water. De effecten van diffusie en filtratie van licht treden namelijk in veel mindere maten op. Door deze rede is het 's nachts ook makkelijker om mooie kleurrijke onderwaterfoto's te maken van vissen en ander onderwaterleven op een kleine afstand dan overdag.